
"ter dood veroordeeld", uitg. 2000, auteur: John de Bye, email: johnh@cq-link.sr
Op 16 januari 1804 werden twee jonge planters door het Hof van Justitie in de kolonie Suriname ter dood veroordeeld wegens moord. De auteur kwam bij toeval op het spoor van deze geruchtmakende zaak, die Paramaribo maandenlang in z'n ban hield, toen hij op zoek was naar stamboomgegevens van zijn familie. Vanuit het meer dan 2000 pagina's tellende archiefmateriaal en geplaatst tegen de achtergrond van de Surinaamse historie en het kleurrijke leven uit die tijd, reconstrueerde de schrijver de gebeurtenissen die leidden tot een dramatische dubbele moord in het bos van de plantage Beaumond aan de Boven-Surinamerivier zo natuurgetrouw mogelijk. Namen van planters, ambtenaren, familieleden, slaven en andere getuigen zijn authentiek, evenals de data en de ten laste gelegde feiten. Met dit verhaal wordt dan ook een belangrijke bijdrage geleverd aan de kennis van ons verleden.
... een wee gevoel kwam over haar. Het regelmatig klotsen van de roeispanen, het gedempt gezang van de roeiers en de rivierbries zouden na verloop van tijd zelfs de meest wakkere reiziger in slaap sussen. Abi's hoofd zakte weg tegen de kussens van de bank waarop ze met Joseph lag...
Pas toen Jodensavanna in zicht kwam en de roeiers de kreten van de slaven aan de oever beantwoordden, kwam Abi met een schok tot de werkelijkheid. Het duurde even voordat zij zich realiseerde waar ze zich bevond. Ook Joseph was wakker geworden; hij ging opzitten en rekte zich uit.
"Aha, we zijn al op Jodensavanne, mooi zo," zei hij.
Een prachtig dorp, gelegen op een met wit zand overdekte heuvel, omzoomd door groene weilanden, lag links van hen. De synagoge, opgetrokken van rode tichelstenen, die als ballast door de schepen uit Europa meegenomen waren, vormde het middelpunt van de nederzetting. Daaromheen lagen de huizen van de bewoners aan vier, elkaar kruisende straten gerangschikt. De afgelopen decennia waren er steeds meer Joodse families naar de stad Paramaribo getrokken, en was de nederzetting niet meer het centrum van de activiteiten binnen de kolonie. Ook hadden de omliggende Joodse plantages de laatste jaren veel te lijden gehad van weglopende slaven en aanvallen van de Marrons, vooral vanuit het Cotticagebied.
Het bootje legde aan en Joseph beklom met Abi het pad dat van de rivier naar boven leidde. Zij werden opgewacht door Samuel Jessurun Lobo en de heer Baruch Louzada, beiden goede vrienden van Mozes en Saartje.
Ten huize van Baruch Louzada werden zij op het achterterras getracteerd op een glas fris water uit de geneeskrachtige bron. Het water zag er als slappe thee uit en smaakte naar ijzer.
"Goed voor alles," merkte Oom Samuel op en hij voegde daar lachend aan toe: "En vooral goed voor een net getrouwde jongeman."
Vanaf het balkon hadden zij een goed uitzicht over de rivier, waarin een begroeid eilandje ongeveer honderd meter uit de oever lag. Aan de andere kant keken zij uit over de moestuinen van de overgebleven bewoners van Jodensavanne en over de vallei die zich naast de heuvel uitstrekte. De met wit kwartszand bedekte vlakte was spaarzaam met gras begroeid. In de verte was de begraafplaats te zien met vlak daarvoor het rouwhuisje.
Baruch Louzada stelde voor om wat door het dorp te gaan wandelen...