
De Jodensavanne in 1859
Gezichten uit Nederlands West-Indie", G.W.C. Voorduin, 1860
Tekst gedigitaliseerd door Mike Becker. Luitenant G.W.C. Voorduin (1830-1910) was als zeeofficier zes jaar gestationeerd in Suriname en de Nederlandse antillen. In Suriname vervaardigde hij fraaie aquarellen, o.a. van Jodensavanne, Albina, en de Waterkant te Paramaribo. Ook vervaardigde hij enige plantagetaferelen. Zijn werk werd gelithografeerd door E. van Heemskerk van Beest, en in 1860-1862 uitgegeven onder de titel "Gezigten uit Neerland's West-Indien". Hierin 8 werken uit Suriname, 6 uit Curacao, en de overige eilanden elk 1. Bij elke prent is een korte beschrijving. Het boek is tegenwoordig zeer zeldzaam geworden, en er bestaat geen moderne herdruk. Voorduin heeft twee tekeningen van de Jodensavanne vervaardigd, een riviergezicht en een gezicht vanaf het cordonpad. Voorduin was een minitieus waarnemer, en zijn tekeningen hebben een hoge documentaire waarde, zij zijn in dat opzicht veel beter dan de prenten van bv. Benoit. Zo zijn op Voorduin's stadsgezichten alle huizen precies te herkennen, terwijl dit bij Benoit slechts zelden het geval is.
Even als Nederland in Europa, zoo was ook Suriname, aan de overzijde van den Oceaan, het gastvrij toevlugtsoord voor vervolgden om der godsdienstwille. De Joden-Savanna is van der Vaderen verdraagzaamheid in het godsdienstige , een gedenkteeken. Na de ontdekking van Amerika werd Brazilie al spoedig de wijkplaats, of liever het bannelingsoord der in Spanje en Portugal zwaar vervolgde Israelieten. Nadat Brazilie echter onder Portugal was gekomen, weken de op nieuw ook aldaar vervolgden naar Suriname, en stichtten er, iets hooger aan de Suriname-rivier dan waar thans de Joden-Savanna ligt, zoo als men vindt aangeteekend, in 1644, onder het Opperhoofd David Nassy, een dorp. Sedert 1632 zouden zich reeds aldaar eenige Israelieten gevestigd hebben, en de eersten geweest zijn, die zich voor vast in de Kolonie hebben nedergezet. In 1685 werd het vroegere dorp verlaten, en door Samuel Nassy, meer rivierafwaarts, het tegenwoordige dorp gesticht, en de nog bestaande steenen Synagoge gebouwd, welk gebouw in de ijzeren ankers aan den westelijken gevel dan ook dat jaartal draagt.
Dit dorp steeg, door de arbeidzaamheid der bewoners, al spoedig aanzienlijk in welvaart; eene talrijke slavenmagt was er vereenigd. De aldaar gevestigde Israelieten genoten er, reeds onder het Engelsche bestuur, ten tijde van Lord Willoughby, groote privilegien: zij hadden eene eigene regtspraak, zoo in burgerlijke als in strafzaken; hunne Regtbank, in een der tot de Synagoge behoorende vertrekken haren zetel hebbende, mogt ter eerste instantie tot f 500 boete opleggen; van alle regterlijke vervolgingen hadden de hier wonende Israelieten, gedurende hunne hooge feesten, vrijdom, enz.
Krachtens het nieuw ingevoerde Regeringsreglement, in werking getreden den 4den Julij 1825, hebben zulke en meer andere privilegien van dien aard, in de Kolonie een einde genomen.
Deze eertijds zoo bloeijende gemeente is thans vervallen. De meest aanzienlijken harer leden vestigden zich in het voor den handel meer geschikt gelegen Paramaribo. Van den vroegeren luister getuigen nog de rijke kerksieraden, meest geschenken van welvarende ingezetenen, en vooral de prachtig bewerkte marmeren zerken op de graven der eertijds hier gebloeid hebbende familien; afstammelingen van deze worden, thans nog, zoowel uit Paramaribo als van elders, hier ter laatste rustplaats gelegd.
De Synagoge zelf is een groot en hecht steenen gebouw, met een gewelfd dak, door kolommen ondersteund; eene breede galerij voor de vrouwen, en sierlijk gebouwde bid- en zitplaatsen getuigen van vroegere grootheid. Van het eertijds bestaan hebbende dorp, hetwelk vier dwarsstraten zal geteld, en een aantal van 90 huizen van welvarend aanzien zal bezeten hebben, is in de nog aanwezige dun gezaaide schuren van armoedig uiterlijk, moeijelijk eenig spoor te vinden.
Het gezigt (voorgesteld op de plaat) op de Joden-Savanna en het Kerkhof (van welk eerstgenoemde men tusschen het geboomte nog eenige woningen en de Synagoge ontwaart), werd genomen van het Cordonpad, een der militaire wegen, waarvan wij zoo even spraken; een gedeelte is er van zigtbaar, loopende langs den heuvel op den voorgrond. Dit pad werd, tijdens het bestuur van den Gouverneur Nepveu, in 1774 met onnoemelijke inspanning en kosten voltooid; het liep tot aan zee, bezet door hoofdposten en piketten op ieder kwartier uur gaans. Vroeger, in 1751, iets hooger aan de rivier, was, onder den Gouverneur Mauricius, op verlangen van den Getieraal-Majoor Baron von Sporcke, een dergelijk Cordonpad, de Oranje-weg genaamd, begonnen en werd, negen mijlen lang, in Westelijke rigting aangelegd. Het plan bestond toen reeds om, nog hooger op, een Cordonpad aan te leggen op grooter schaal, en tot de Commewyne-rivier en Tempatikreek zullende loopen; het is echter, vermoedelijk omdat het de toen beschikbare krachten te boven ging, niet tot stand gekomen.
Na ons in het heerlijke vergezigt van de hoogte, op twee met zware bosschen bedekte valleijen, en het hooge geboomte in het verschiet aan de overzijde der rivier, eene wijle te hebben verlustigd, zochten wij het Cordonpad te volgen. Het ving aan met eene schoone laan van hoog opgaand geboomte, doch weldra stuitten wij op digt struikgewas, op bouwvallige of ingestorte bruggen over kloven en kreken. Op onzen terugtogt daalden wij in eene der valleijen. Te midden van een heerlijk frisch groen zagen wij uit eenen steijlen rotswand, uit verschillende lagen zamengesteld, eene bron van helder water ontspringen. Het was een verkwikkende dronk na eene vermoeijende wandering. Wij vonden er verscheiden Indiaansche koelkruiken en kommen, waarin het water, door planken goten afgeleid, werd opgevangen. Daags daarna vervolgden wij onzen togt, de rivier opwaarts varende, en voeren een steilen, donkeren rotswand, met roode strepen, voorbij; zij was bijna geheel bewassen; op den rotswand stond vroeger het zoo even vermelde eerste Israelitische dorp.
Na een uur roeijens bereikten wij den houtgrond Diligence, op eenen kalen zanderigen voorgrond gelegen, en zich, van de rivierzijde, als een onaanzienlijk gehucht voordoende, aan de achterzijde begrensd door een bamboebosch en zwaarder houtgewas. Wij vonden die plantaadje verlaten; de Directeur was met de slavenmagt eenige dagreizen de houtgronden in, en bivouakkeerde er met de zijnen. Wij ontmoetten er, buiten eenige negerinnen, twee Indiaansche vrouwen met hare kinderen; zij waren, om pokziekte, toen in deze streken heerschende, uit haar kamp weggezonden. Zij waren van eene (altijd betrekkelijk gesproken) zeldzame schoonheid, en staken zeer af bij de negertypen, die wij tot dusver in de Kolonie hadden ontmoet. Zij behoorden tot de Arowakka- Indianen. Een hunner kampen was nu het doel van onzen togt.